‘A conversation piece’. Nabeschouwing bij #GentM 34

Deze #GentM reeks draait rond het thema ‘togetherness’. Een Engels begrip dat bij een eerste voorbereidende bijeenkomst bij ‘In the Pocket’ met veel aplomb en een tikkeltje uitdagend op de muur werd geprojecteerd. Een avond wild gebrainstorm volgde. Het blijkt een begrip te zijn waar veel mensen zich door voelen aangesproken maar wat om één of andere reden ook lang vaag bleef, zelfs na de eerste avonden van deze serie. Pas op de avond met Hannes Couvreur op 26 mei 2015 had ik voor het eerst het gevoel dat we dat woord dichterbij kwamen. En dat dat belangrijk was. Waarom? Dat is wat ik in deze tekst wil proberen te ontdekken. Als het over zaken gaat die me na aan het hart liggen ben ik van het langzaam herkauwende soort.

#GentM als veilige cocon?

Ik kom al naar #GentM sinds de eerste reeks, in 2011. Ik hield toen samen met een collega op vraag van organisator Fredo een verhaal over het belang van open data en de toekomst van de bibliotheken binnen de Universiteit Gent. Ik zag de jaren nadien de locatie en het publiek veranderen. En ik zag Fredo groeien in zijn rol als gastheer. Eerst bloednerveus, zich concentrerend om niet te stotteren, nadien met groeiend zelfvertrouwen en steeds vaker gravend in de diepte. Het feit dat er door een groep mensen na de werkuren samen werd gekomen om te luisteren naar een publiek gesprek en daarvoor en daarna met elkaar van gedachten te wisselen, ik vind het - nog altijd - een uiterst zinnig iets om te doen. En aangezien ik zelf nog maar recent in Gent was gearriveerd en ik de publieke discussies miste die ik kende uit Amsterdam waar ik daarvoor werkte, sloot #GentM ook nog eens perfect aan bij waar ik behoefte aan had – én heb.

Na een aantal reeksen met – soms – memorabele publieke gesprekken, en/of levendige discussies aan de bar nadien, begonnen me echter ook wat andere zaken op te vallen. Ondanks alle diversiteit qua onderwerpen en deelnemers, merkte je als je uitzoomde toch ook een zekere vorm van homogeniteit. Goed opgeleide middenklasse, die de luxe heeft om zichzelf niet al te ernstig te nemen en met een meer dan bovengemiddelde interesse in technologie. Het is de cultuur waar ik zelf ook uit voortkom en waar ik me goed voel. Maar waarvan ik me de laatste jaren ook steeds sterker realiseer dat het absoluut een zeer onvolledige afspiegeling vormt van de maatschappij waarin ik leef. En die de neiging heeft zichzelf, zoals elke subcultuur, te bevestigen in datgene waar ze zich goed bij voelt en zich herkent.

Dit jaar kwam daar nog een bedenking bij. Na één van de eerste bijeenkomsten van #GentM dit seizoen raakte ik op Twitter in gesprek met iemand uit Nederland over het belang (en verschil) van on- en offline communities. De conversatie zette me aan het denken. Wat is in deze steeds digitaler wordende tijd eigenlijk een stad nog? En wat maakt Gent zo dierbaar dat het bij #GentM, naast de focus op all things digital, mee de rode draad vormt door alle gesprekken heen.Génteneir. Het wordt beschouwd als een geuzenaam die met uitdagende trots beleden wordt. Dat frappeert. Want die gehechtheid aan Gent heeft goede en minder goede kanten, vind ik zelf. Net zoals alle middelgrote steden kent Gent een zekere mate van provincialisme. Volgens de Vlaamse filosoof Bart Verschaffel (1) kent Gent als stad geen anderen om zich tot te verhouden. Misschien komt daar die progressieve zelfvoldaanheid vandaan die me steeds vaker begint op te vallen en die me ongemakkelijk maakt.

Wat ik me dus steeds luider afvroeg, tijdens dit seizoen van #GentM is het volgende: Wie zijn wij om over ‘togetherness’ te spreken als het platform waarop we dat doen er één is waar enkel relatief eensgezinden elkaar ontmoeten, in een veilige Gentse cocon van zelfverklaarde progressiviteit?

Spontane togetherness bij Sennett

Een antwoord daarop vond ik voor mezelf tijdens #GentM #34 over ‘spontane togetherness’, op 26 mei 2015. Het weekend daarvoor was ik toevallig alleen naar Amsterdam gegaan. Om naar mooie dingen te gaan kijken, vrienden te ontmoeten, langs de grachten te fietsen en te lezen in het Vondelpark en op het Museumplein. Ik las er al liggend in de zon het boek ‘Together:  The Rituals, Pleasures and Politics of Cooperation’ van Richard Sennett (2). Wat een ontdekking. Ik zag nadien op de #GentM piratenboot bij Hannes Couvreur zo veel parallellen dat ik er een week over heb gedaan om een woord op papier te zetten. En ook nadien duurde het langer dan gewoonlijk eer ik mijn gedachten op een rijtje kreeg. Toch wil ik graag proberen te vertellen wat dat boek volgens mij met #GentM te maken heeft. Mooie zaken verdienen nu eenmaal aandacht, en zorgvuldig gekozen woorden.

Richard Sennett is een Amerikaanse socioloog met een lange staat van dienst. Sinds de jaren ’70 schrijft hij al over stedelijkheid. Sinds enkele jaren werkt hij aan een trilogie over de ‘Homo Faber’, de werkende mens. Het boek wat ik las was het tweede deel uit deze trilogie en verscheen in 2012. Het eerste deel gaat over ‘vakmanschap’. Het derde deel is nog niet uit.

Sennett probeert in dit boek uit te leggen waarom hij samenwerking in deze tijd zo'n belangrijke vaardigheid vindt. Hij doet dat met talloze voorbeelden en in een heldere taal. Vooral de inleiding ‘The Cooperative Frame of Mind’ is een pareltje.

Hoe gaan mensen in deze steeds complexer wordende wereld om met anderen, vraagt hij zich af. En hoe blijven ze overeind in een individualistische maatschappij die er sterk op gericht is om alles zoveel mogelijk te stroomlijnen en efficiënt te maken. Het lijkt wel of alle rafelranden van de realiteit het liefst zo snel mogelijk dienen te worden weggewerkt. En als er al tegenstellingen zijn, dan is de verleiding groot om deze te verengen tot een duidelijk afgebakend verschil tussen een wij en een zij.  

Volgens Sennett verliezen mensen daardoor echter de vaardigheden om met verschil om te gaan. ‘We are losing the skills of cooperation needed to make a complex society work’ (p. 9). Hij probeert uit te leggen dat een polariserende houding niet langer volstaat in een complexe samenleving zoals de onze. Simplistische tegenstellingen monden uiteindelijk altijd uit in totalitaire samenlevingen waarbij de angst regeert.

Aristoteles had dat ook al door. Hij beschreef een stad als eensynoikismos, een samenkomen van mensen van verschillende stammen. Het verschil is nodig om met complexiteit om te kunnen gaan. En dit vormt op zijn beurt dan weer de vruchtbare bodem om een maatschappij te laten floreren. Als je enkel maar bang bent van wat anders is of wat verschilt van wat je kent, dan ontstaat er geen uitwisseling en geen verrijking.

Samenwerking volgens Sennett is iets wat kan gedefinieerd worden als een uitwisseling die vruchtbaar is voor beide partijen. Het moeilijkste daarbij is dat men de andersheid van mensen dient te tolereren. En om dat te doen heb je bepaalde vaardigheden nodig. Over welke dat zijn gaat het eerste deel van het boek.

Heel kort komt het neer op vier verschillende zaken, nl

1/ een open manier met elkaar kunnen praten (‘dialogeren’), zonder dat dit noodzakelijk tot een gezamenlijke conclusie of oplossing moet leiden,

2/ het elkaar vrij laten en niet veroordelen (indirectheid), waarbij hij een vergelijking maakt met de voorzichtige en voorwaardelijke manier van zich uitdrukken die door sommige Engelsen (en Vlamingen…) wordt gebruikt,

3/ elkaar ademruimte geven zodat iedereen kan spreken met zijn eigen stem op een informele manier (informaliteit), zodat niet alles meteen in etiquette en regels dient te worden gevangen,

4/ mee voelen, zodat je iemand de ruimte geeft om zichzelf te blijven (empathie), in plaats van iemand te overstelpen met je sympathie en hulp waarbij je jezelf al te vaak in de plaats stelt van de andere.

Sennett trekt daarbij een mooie parallel met musiceren. Bij communicatie moet je kunnen luisteren én antwoorden op een betekenisvolle manier. Bij muziek gebeurt dat ook, maar vooral, dat gebeurt op een schijnbaar weinig directe manier. Muzikanten reageren op elkaar via ritme en geluid, een enkele blik, een beweging of gelaatsuitdrukking volstaat. Iedereen heeft een eigen klank en toch klinkt het als één geheel.  Sennett noemt precies dát dialogeren en verwijst daarmee naar de ideeën van de Russische filosoof Mikhail Bakhtin die hierover al schreef in het begin van de 20e eeuw. Als je alleen muziek speelt hoor je nauwelijks of je fouten maakt. En echt verbeteren doe je na een bepaald punt ook niet meer. Pas wanneer je samen musiceert met anderen leer en hoor en zie je andere zaken. Daarom kan je muziek spelen vergelijken met converseren. Niemand moet overtuigd worden, het gaat alle kanten op maar aan het einde vormt het toch een gesprek. Daarom heeft converseren iets weg van radicaal open dialogeren. In de rest van het boek brengt Sennett uitgebreid in kaart hoe een goede samenwerking ontstaat, door wat ze wordt bedreigd en hoe men ze kan versterken.  

De structuur van het boek wil bewust dialogisch zijn, met voorbeelden die naast elkaar staan, in plaats van te leiden naar één bepaalde conclusie. ‘I want to practise cooperation on the page’ (p. 30). En uiteindelijk eindigt het boek met een verkenning van engagement. Reageren op anderen en samenwerken veronderstelt volgens Sennett altijd een zekere zin van engagement. Samenwerken is een vaardigheid. En de basis daarvan ligt in het leren luisteren en discussiëren, eerder dan in het debat.

Spontane togetherness bij #GentM, Hannes Courveur en #TRMOAS

Maar terug naar Gent, en de avond met Hannes Couvreur en het gesprek wat hij had met #GentM opperhoofd Fredo.

Als we ‘togetherness’ naar het Nederlands vertalen kom je uit bij verbondenheid, eensgezindheid en solidariteit. Samenhorigheid, zegt het woordenboek ook. En dat was precies het woord waar Hannes regelmatig naar terug greep, die avond in het vooronder van Fredo’s piratenboot. Niet alleen in woorden, mind you. Het fascinerende was dat hij het ook demonstreerde en in de praktijk bracht.

Om zijn punt te maken werd er begonnen met een experiment. ‘Een ongemakkelijk experiment’, voegde Fredo er behulpzaam aan toe. Want het was de bedoeling om een half uur lang allerlei mensen uit het publiek aan het woord te laten die vrij mochten kiezen wat ze wilden vertellen, als ze maar begonnen met de zin ‘Dat herinnert me aan het verhaal ….’.

Je hoorde hoe iedereen zich in stilte afvroeg hoe dat dat dan moest gaan. Waarna Fredo de spits afbeet met een persoonlijk verhaal over hoe hij op de begrafenisdienst van zijn oma ineens, zonder daarover veel op voorhand te hebben nagedacht, het woord nam en begon te vertellen over ‘togetherness’. Omdat hij zich plotseling realiseerde dat het vanaf nu van zijn eigen generatie zou afhangen of zij elkaar nog zouden blijven zien, of niet. Familie-zijn als een opdracht en een uitdaging, niet als een onvermijdelijk gegeven.

Daarna was het weer stil. Tot er iemand anders het woord nam. En nog iemand. En nog iemand. Ook ik, die vertelde hoe ik door een dolenthousiaste moeder als klein meisje uit bed werd gehaald om te luisteren naar de Sint-Elisabethwedstrijd. Elke keer opnieuw. En zo leerde luisteren naar muziek. En en passant de liefde leerde voor schone dingen. En zo voort, en zo verder. 

 

De verhalen die kwamen bovendrijven waren vaak grappig, soms onnozel, maar altijd persoonlijk en klein. Kwetsbaar ook vaak. Ze bouwden niet echt op elkaar verder maar door de losse associaties waaruit ze ontstonden kwamen ze evenwaardig naast elkaar te staan. Wat je wel quasi meteen voelde was hoe iedereen geconcentreerd bij elk verhaal meeleefde. Opgelucht dat er nóg iemand de moed had om voor circa 80 wildvreemden iets persoonlijks te willen vertellen. Blij als er een pointe was, of iets waar men op kon reageren. Iedereen werd medeplichtig aan dat wat op dat moment aan het gebeuren was. Aktieve samenhorigheid in praktijk gebracht. Geniaal. En ontroerend.

‘Wat denk je dat er daarnet gebeurde?’, vroeg Fredo nadien aan Hannes, nadat het gemakkelijke experiment was afgelopen en ze zich opmaakten voor een publiek gesprek. ‘Iedereen voelde zich quasi onmiddellijk geborgen en verbonden’, zei Hannes. Mij leek het extra mooi omdat er een bepaald ritueel aan vastzat. Door de nadruk te leggen op een uniform begin en het uitspreken van een bepaalde zin, als was het een spreuk, kreeg gewichtigheid – en dus ook afstandelijkheid - geen kans. Een theoretische uitleg, of een obligaat verkooppraatje kon zo niet eens beginnen. ‘Dat is moeilijk hoor’, zei Hannes, ‘zo maar de grote verhalen loslaten en iets klein durven vertellen’.

Het gesprek ging vervolgens over hoe Hannes was begonnen als oplossingsgerichte coach. En waarom hij geloofde in het belang en de kracht van storytelling. ‘Een verhaal is een heel uitnodigende manier om iets in de wereld te zetten’. Iemand uit het publiek vertelde over een groep consultants die ongewild vastzaten op een luchthaven. En dan maar spontaan een congres begonnen te organiseren waarop je enkel verhalen kon vertellen. In no time stond de organisatie op poten, en kreeg het tractie. Iemand vermeldt tijdens het gesprek via Twitter dat open space technology ook zo werkt. En zo gaat het gesprek verder.

Na verloop van tijd begint Fredo op zijn stoel te schuifelen en zet hij zich wat rechter. ‘Ik zou je een vraag willen stellen’, zei hij tegen Hannes. ‘We hebben het hier op voorhand al over gehad dus je weet wat ik je wil vragen. Hoe zit het nu eigenlijk met die ‘togetherness’? En hoe gaan we #GentM daarmee verder ontwikkelen?’. Hannes reageert als een volleerd psycholoog en kaatst de bal terug. ‘Hoe zou jíj willen dat #GentM zich ontwikkelt, en tot wat dan precies?’, vraagt hij. Fredo begint te vertellen over de euforie die over de stad waaide de afgelopen week, toen de voetbalclub AA Gent het Belgische voetbalkampioenschap won, voor het eerst in 150 jaar. Overal uitgelaten mensen, blauw-wit alomtegenwoordig in het straatbeeld, 125.000 mensen op de been tijdens de zegentocht van de voetbalspelers in bootjes door de binnenstad. ‘Die extase, dat merkwaardige gevoel van verbondenheid, daarmee moet toch iets te doen zijn?', zegt hij. Hannes lijkt niet echt onder de indruk. Net zoals enkele mensen in het publiek trouwens. Een discussie breekt open. En ik weet niet of het komt door de associatieve vertelsessie van even daarvoor, maar het lijkt wel alsof de mensen in het vooronder sneller dan anders hun eigen stem vinden en ongeremder reageren. Een jongeman werpt op dat hij die hele golf van blind enthousiasme eigenlijk niet zo prettig vond. Anderen geven hem gelijk. ‘Sorry Lief’, zegt plots een blonde vrouw achter me. Liesbet, de vrouw van Fredo. ‘Ik weet dat we daar nu al vanaf vanmorgen over aan het praten zijn met zijn tweeën, maar ik kan toch ook niet zo enthousiast worden als jij van die hele euforie de afgelopen week. Niet dat ik geen voetbalfan ben. Ik was Buffalo lang voordat dat jou kon interesseren. Maar die hele togetherness in de stad, ik geloof daar niet echt in. Ik noem het fastfood togetherness. Het bevredigt een tijdelijke behoefte maar het máákt niets. Iedereen voelt zich gelukkig voor heel even, maar daarna? Wat zijn we daarmee?' Een golf van herkenning gaat door het publiek. En er steekt alweer iemand anders zijn hand op, om een vraag te stellen, of om een opmerking te maken… 

 

Spontane togetherness bij jezelf

Hoe het gesprek uiteindelijk afliep kan ik me niet erg goed herinneren. Behalve dat Hannes vertelde hoe belangrijk het was om 'kleine' verhalen te vertellen, zaken die op het eerste gezicht niemand kunnen boeien, en na een tweede keer iedereen. En ik die ondertussen en na afloop maar zat te denken, ‘maar dit is *precies* waar ik net over heb gelezen’, als was het een geënsceneerd theaterstuk ter illustratie van een goed boek. Opvallend hoeveel ideeën van Sennett terug komen in de scenes die ik daarnet heb proberen te beschrijven. Het belang van vertellen (en dus ook van het luisteren), van het kleine en weinig spectaculaire. Het ritueel wat houvast geeft aan de werkelijkheid en die het loslaten van geijkte paden vergemakkelijkt, omdat het zelf houvast geeft. De vier vaardigheden die Sennett opsomt (open dialogeren, indirectheid, informaliteit en empathie) om een open gemeenschap te vormen. En vooral, voor mij, het besef dat naast een wij, ook een zij staat. En dat dat in progressieve middens nog veel te vaak een blinde vlek is waar niet mee gesproken wordt, alleen maar er over. Door die ontwapenend eenvoudige manier om mensen elkaar verhalen te laten vertellen lost een dergelijke tegenstelling op. Niet dat ze verdwijnt, maar ze wordt transparant en inwisselbaar. Beluisterbaar.

 

En plots bedenk ik dat die voor mij zo memorabele avond van #GentM 34 eigenlijk het beste te vergelijken valt met een muziekstuk. Waarbij met de hulp van Hannes en Fredo allerlei mensen hun verhalen naast elkaar lieten klinken. En er nog veel meer mensen samen aandachtig luisterden, ondertussen nadenkend of ze zelf ook iets zouden kunnen bijdragen.

Geen wonder dat Fredo een dj is.

- Door Saskia Scheltjens  (@sachel)